Gedicht met Duiven en Handel | Adam Clay

Naar: Adam Clay – Poem with Pigeons and Commerce

Een duif voor je gedachten, de telefoon werkte
niet. Een bundel draden voor je huis en
de wind droeg iets tragisch
naar ons toe en toen weg. Wat was de droom
die je had die zelfs nu nog onuitgesproken groeit
in de donkere hoek van ons huis? Wat kunnen we denken
van een droom als een droom eerst aan ons dacht?

Adrienne Rich | Rituele handelingen iii-vi

Naar: Ritual acts (iii-vi) | Adrienne Rich

iii

Uiteindelijk – lief gehad te hebben, was dat niet het object?
Liefde is het enige in het leven
maar ja, je kunt te veel liefhebben
of op de verkeerde manier, je verliest
jezelf of je verliest
de persoon
of je wurgt elkaar
Misschien is het object van de liefde
   lief gehad te hebben
   groots
   op een of ander moment
Zoals de trailer van een film
die je jaren geleden zag

iv

Je moet jezelf omdraaien
gezicht in een andere richting
Ze sloeg een vlag om zich heen
doordrenkte hem met benzine en ontstak een lucifer
Dit is voor de vermoorde baby’s
zeiden ze dat ze zei
Anderen hoorden
voor de eer van mijn land
Anderen herinneren zich
de stank en hoe ze schreeuwde
Anderen zeggen, Dit was slechts theater

v

Dit zal geen liefdesscène zijn
maar een handeling tussen twee mensen
Laat ons nu alsjeblieft zien
hoe je teder zijn ballen
in je handen neemt
Je zult ze
onder je gezicht houden
Er zullen tranen op je gezicht zijn
Dat was het dan
zei de regisseur
Zijn gezicht zullen we niet zien
Hij wil de scène doen
maar zijn gezicht
niet tonen

vi

Een geit die een bloeiende plant verorbert
Een kind dat door het hek naar school kruipt
Een vrouw die een ui snijdt
Een blote voet die uitsteekt
Een waslijn die is vastgemaakt aan een gespleten boomstam
De poot van een hond, omhoog getild naar een stijgleiding
Een oude man die knielt om daar te drinken
Een hand op de afstandsbediening

We willen iets tonen zonder vanzelfsprekend te zijn
behalve aan de onwetenden
We willen het alledaagse leven tonen
We gaan over lijken om het te tonen

Adam Clay – Ik probeerde eerst te bellen

Naar: Adam Clay – I tried to call first

Soms hoor ik te veel en soms hoor ik te weinig.

Soms
denk je dat ik er niet ben. Soms

ben ik er meer dan ik zou willen zijn. Soms
is een weerspiegeling beschermen als jezelf beschermen en je gezicht wassen soms

in een al lang gebarsten spiegel. Dit is een dag om je te herinneren. Heb je gezondigd
en gedroomd van bekennen? Heb je bekend en gedroomd van zondigen
of van er van afzien

opnieuw en opnieuw en opnieuw?

Daar gaan we weer.  Doe mijn haar,
eens zien of de honden willen wandelen.

Mark Cayanan | Maar wat ik werkelijk wil zeggen is

(Naar: Mark Cayanan | But what I really want to say is)

Maar wat ik werkelijk wil zeggen is

Ik toon je mijn leven. Het is middag
wanneer ik schrijf: De zomer heeft haar plakkende hitte
opgegeven voor regen, voortijdig, maar net zo grijs

als anders. Ik kan niet ver zien
of zo diep als jij vanwaar jij staat, maar wanneer ik je vertel
wat ik je vertel, moet je me geloven.

Ik toon je mijn moeder, hoe ze de meubels verplaatst
op een manier dat je niet eens zou vermoeden
dat het hout is ingegeten. Wanneer ik zeg vergeef haar

voor haar schichtigheid, vertrouw ik op wat je weet
van de term. Op dezelfde wijze moet je begrijpen
dat ik ervoor kies niet over mijn vader te spreken. Op dezelfde wijze

moet je het begrijpen wanneer ik je verschillende verhalen
over mijn vader vertel. Ieder verhaal vernietigt het laatste.
Ik heb niet de intentie echt te zijn,

enkel oprecht. Ik toon je hoeveel ik
lief heb gehad: niet genoeg, of te veel, het resultaat van beide
de afloop. Maar wanneer ik zeg

dat er dagen waren waarop mijn wang
tegen iemands bezwete rug eeuwigheid betekende,
bedoel ik dat het moment erkend

moet worden, bedoel ik dat er meerdere
geweest zijn, die allemaal hetzelfde voelden. Ik ben sentimenteel:
Ik ken geen manier om over mezelf te praten

zonder uitvergroting. Ik toon je wat de blauwe plek
op mijn dij betekent. Ik toon je de implicatie
van een zucht, achter een grijns, en wat de juiste respons

geweest zou zijn. Ik toon je schaamte,
knoop het aan elkaar en hang het om je nek. Meer dan dit,

ik vertel je dat wat ik wil is dat je zegt
dat het ook van mij is. Geen openbaring, geen pointe,
maar een spiegel, maar een kus, maar in de lucht, parfum, uitwaseming.

Richard Siken | De misplaatste kamer

(Naar: Richard Siken | The dislocated room)

Het is mijlenlang nacht geweest en dan beginnen de echte sterren in de paarse
         lucht, als kleine boten te ver van de kade,
te verdwijnen.
              En daar, in de verte, niet het beloofde land,
                                                      maar een Holiday Inn,
met bougainvillea die door het gaashek van het zwembad groeit.
       De deur wijd open: twee identieke bedden, identieke lampen, identieke
plastic bekers ingepakt in cellofaan
                     en hij zegt Nee Henry, laten we het niet doen.
Kun je het verhaal als stippellijnen door de kamer zien gaan?
       Hier is de wasbak om het bloed weg te wassen,
hier is de whisky, het gescheurde shirt, de tegel van de badkamervloer,
                het schijfje van de badstop
                       doorzeefd met gaatjes.
Hier is de jongen als een zak van vlees, hier zijn de motoren, de kleine kamer
       die geen kamer is,
de Henry die geen Henry is, de Henry met een naald en draad,
           die zich buigt over de flauwgevallen jongen
                            op de universele beddensprei. 
                    Hier is hij nog een keer, wordt dichtgenaaid.
Dus nu zijn we tot een reusachtig strijdveld gekomen, de warmte van het vuur,
      het vuur dat nog brandt,
                                               de hitte die ontsnapt als een gebroken belofte.
      Dit is het gedeelte waarin je weer in je kleren wakker wordt,
dit is het gedeelte waarin je probeert in het gebouw te blijven.
              Blijf nog even in de kamer, zegt hij. Blijf nog even
                                                                       in de kamer.

Dit is de plaats, zeg je tegen jezelf, dit is de plaats waar alles
          begint te beginnen,
de wonden onthullen een dikkere huid en dan opeens is er geen vloer.
                                         Ondertussen
is er iets onder het gebouw dat heel erg hard probeert
                 om je aandacht te winnen—
         een man met amandelogen en een rits die de lengte
                                                  van zijn ruggengraat nabootst.
Je kunt de schaduw zien die de man werpt
       op het linoleum,
hoe deze lijkt op een boot, de tegels heel precies doorsnijdt,
             de masten van zijn armen die tegen de ramen schrapen.
Hij wijst naar je met een glas melk
          alsof hij probeert te zeggen dat er
nu een soort blinkende ster diep in je verborgen ligt en hij
                                       moet het eruit graven met een mes.
                              De bel gaat, de hond gromt,
en dan laait de wind op, en het licht valt, en zijn mond
         klappert, en de hond
huilt, en het raam sluit nauw tegen de vieze regen.
Hier is de hal en hier zijn de deuren en hier is de angst
      voor het andere ding, het genadeloze 
                                        ding, je lichaam verdrinkt in zwaartekracht.
Dit is het ondertussen, het wachten dat plaatsvindt
      in de ruimte tussen
één bericht en het volgende, de plaats waar je zijn handen
                                     verwart met de kamer, de hond
            met de man, het bloed
                                              met de opengereten lucht.
Hij legt zijn handen op je hele lichaam om je in de kamer te houden.
                  Het is nacht. Het is middag. Hij rijdt. Het gebeurt
        allemaal opnieuw.
                   Het is liefde of het is het niet. Het is niet voorbij.
Je bent in een auto. Je bent weer in de berm. Je bent op een
                   hobbelige weg en er zijn overal criminelen,
                                            die verlangen naar gevaar.
                       Henry, zegt hij. Wie praat er?
Ik dacht dat ik de klank van ijs
                  op tand hoorde. Ik dacht dat ik de klank van tand op glas hoorde.
Open de deur en het licht valt naar binnen. Open je mond en het valt
        weer naar buiten.
Hij ligt bovenop je. Hij ligt naast je, vlak naast je om precies te zijn.
                Hij heeft de zachtste huid, helemaal om zich heen geslagen.
                                        Hij is het niet.
Jij bent het niet. Nu val je. Je zwemt. Dit is niet
         zonder gevaar. Je hebt geen
             adem. Je klimt opnieuw uit het verchloorde zwembad.
Niet alle noodzakelijke woorden werden ons gegeven.
                           Niets werd ons gegeven.
            We hebben de hele nacht gereden.
                           We hebben lang gereden.
We willen stoppen. We kunnen het niet.
Is er een acceptabel resultaat? Bedoelen we iets wanneer we praten?
              Is het genoeg dat we rillen
                                             om het geluid?
Linker hand tilt de vork naar de mond, voel het vlees
         door je keel glijden terwijl je denkt
                    Mijn keel. De mijne. Alles binnen deze lichtbundel is van mij.
De asbak en de kapotte lamp, de vieze oranje gordijnen en zijn
        geruïneerde shirt.
                         Ik was in je lichaam, baby, en het was een paradijs.
        Ik was in je lichaam en het was een kermisattractie.
Ze willen stoppen maar ze kunnen niet stoppen.  Ze weten niet
                                                                                   wat ze doen.
Dit is niet zonder gevaar, het hoe aan te raken, we willen het scherm
             niet helemaal
van onze ogen getild, slechts lang genoeg omhoog om de gaten te zien.
             Moe en verweerd en op de verkeerde manier aangeraakt,
                       ruw aangeraakt en bonzend in het licht.
Ze willen stoppen maar ze stoppen niet. Ze krijgen de kogel er niet uit.
                Snij me open en het licht stroomt naar buiten.
       Hecht me weer dicht en het licht blijft naar buiten stromen 
                                                                      door de hechtingen.
Hij krijgt de kogel er niet uit, denkt hij, en dan lukt het hem.
           Een klein stukje grind om een parel omheen te bouwen.
Middernacht juni. Middernacht juli. Ze zijn er nu al dagen mee bezig.
     De kogel er uit krijgen.
De kogel er uit graven en omhoog houden naar het licht, het licht.
                            De kogel er uit graven en omhoog houden naar het licht.

Ada Limón | Vijftien verenballen 7, 8, 9

(Naar: Ada Limón | Fifteen balls of feathers)

7.

De laatste persoon met wie mijn vriendin seks had voor ze doodging
was één of andere onweerstaanbare vreemde in Las Vegas.

We hebben er dagenlang om gelachen
         totdat we niet langer konden en haar onzichtbare vogel in tweeën brak.

Mijn hart is nog heel
            hoewel er een zwaartekracht huist
            die me aan het aas van inzinking bindt.

Mijn onzichtbare vogels zijn nog intact,
            ik kan mezelf open maken en ze je tonen,
            hoe ze zich diep hebben geworteld
            in een aanwezig nest van uitgesteld gezang.

 
8.

Bij de rivier de Rijn keken we naar vuurwerk en hielden elkaar stevig vast
                        met onze eigen luchtexplosieven.

Ik was klaar om oud te zijn.

De man van de rivierjacht zei me rustig aan te doen.
            Zijn brede schouders navigeerden het heden.

Zijn tong leek te groot voor zijn mond,
            zijn tanden waren klein als vissentanden.

Ik was nog te jong voor de kapiteinskamer,
            maar ik eiste een vrouwenafgang,
            een loopplank voor het goede in mij.

Ik gooide mijn geluksmunt over de rand
            die snel, als weghaastend licht,
            onder de golven verdween.

Dat was vijftien jaar geleden.
                        Ik wacht hier nog steeds op het stoppen van de rivier—
                        sta op de waterige uitbreiding van tijd.

9.

De Azteken geloofden dat de vader
            van Huitzilopochtli een bal van veren was.

Dit is waar: een verenbal kwam uit de lucht gevlogen en maakte zijn moeder,
            Coatlicue, zwanger.

Hij werd een zonnengod. Een trotse god van oorlog. Mesvechter van obsidiaan.
            Zijn broers en zussen: de maan en de sterren.

Er was eens een bal van veren…

Misschien is dat hoe alle liefde komt,
            onverwacht en op een stoot van gemetamorfoseerde lucht.

Wat we als menselijke tederheid definiëren zit ieder van ons
            op een andere manier dwars.

Legendes spartelen wat na en wij gaan door ons aan te bieden
            aan de gewoontes van iedere dag.

Hier is mijn offer: mijn zangvogel in de handpalm van een vreemde.

Ada Limón | Vijftien verenballen 5, 6

(Naar: Ada Limón | Fifteen balls of feathers)

5.
Toen we het dun-opgerolde papier over onze lippen lieten gaan
            bij het Wixhausen treinstation, dachten we aan hoe grappig
            het woord goederen was. Hoe het leek op iets uit
            oude films—Peter Lorre die zegt, Heb je de goederen gehaald?

De trein raasde voorbij en soms voelden we ons jong.
            Meestal waren we high en voelden ons zo snel
            en zo sterk als die trein.

Stonden op de wissel, sprongen van schakel naar schakel,
            over de ijzeren platen, de schroefbouten, de pinnen—
            het leven was al te lang in gang gezet.

Ik kan haar zien nu, met haar haren opeengehoopt boven een flanellen shirt,
           struikelend over Duitse woorden en
           ouzo drinkend in het Griekse restaurant.

      Ze is niet zo dom als ze er uit ziet,
      hoewel ze voorover valt
      in de eeuwige misvatting        
      dat treinen niet stoppen.

6.
De allereerste keer dat ik echt van seks hield,
           was de allereerste keer dat ik blij was een meisje te zijn.

En bovendien, dat ik uitvond dat een menselijk lichaam twee harten heeft.

            Ik keek neer op mijn gladde buik, waarvan het afgezonderde gepomp
                       als een bulldozer uit mijn navel kroop.

            Ik dacht dat ik misschien een koe was,
                      maar dan met meerdere harten in plaats van magen.
       
                      (Wat een genot een duaal onderkomen te hebben
                           van mysterieuze punterende hartslagen!)

Zoiets zou niet mogen bestaan in de anatomie
                     van een vijftienjarige, of zou eigenlijk gevangen moeten worden.

              Liggend op een crèmekleurig laken met uitzicht op
              het plaza, voelde het alsof ik een levende vogel had ingeslikt.

              Het gaf me geen vleugels, het legde me wekenlang plat.

              Ik kon niet telefoneren zonder rillingen,
              en als ik lachte, droop er vogelbloed van mijn tandvlees.

We hebben het niet over liefde,
              ik heb mezelf tot een dierlijk wezen gebaard.

Matthew Dickman | Zelfportret met een ballon

(Naar: Matthew Dickman | Self-portrait with a balloon)

Mijn broer zweeft als een ballon terwijl we door de stad wandelen,
hij is verliefd en ik moet aan zijn broekspijp trekken
om hem bij me te houden.

Vlakbij is een straatlantaarn groen geworden.
Vlakbij is een travestiet in een bushokje aan het slapen.
Vlakbij is de hoek van Sixth en Lavaca.

Austin, Texas was ooit Iets, Mexico
en twee Mexicaanse broers wandelden
door de stad terwijl één van hen door de lucht begon te zweven.

Ik ben de afneembare kaft van een pulp-Western aan het worden,
een ingekleurde schaduw,
hoe ik hier zit in dit portret en een poncho & sombrero draag,

een natte cigarillo aansteek.

Degene die love lifts us up where we belong verzon was een genie.

Liefde doet dat.

Degene die La Vida Loca schreeuwde voordat het vast werd gegrepen
en tot een betekenisloos liedje werd geslagen was een filosoof.

Het is gek.

De rivier stroomt door de stad als een hond die zojuist
door het deurscherm is gesprongen, wild in de tuin,

en ik houd een pistolero in mijn hand,
vlak bij de hoek van Eighth en Lavaca,
en ik hoop dat mijn broer omlaag zal zweven voordat ik het geweer
uit zijn holster moet trekken, hoop dat als het tussen mij en de rivier is

ik het zal zijn die morgenochtend opstaat.

Ada Limón | Vijftien verenballen 3, 4

(Naar: Ada Limón | Fifteen balls of feathers)

3.
In Darmstadt op mijn zeventiende was mijn liefde een nar op de rails,
                        groot en blond in de caféwagon greep hij me lachend vast en zei,

Niemand zal me ooit kennen. Zijn ogen als het glimmende rood
                                                            van een verdeelkastlampje.

Buiten verslapten de witte aspergevelden mijn maag.
                        Ik was een zwart woud.

Hij las van achter naar voren op de couchette
            terwijl de wereld voorbij ging en ik telde
de gezichten van zonnebloemen. 1.753.285 gele dwazen
            die dachten dat ze voor altijd door zouden gaan.

Tot welke getallen kun je tellen? Hoe hoog kun je komen?

Oneindigheid was een moeilijk concept.
                                Nu is het lastiger.

4.
In de Twilight Zone film waarin de kabouter het vliegtuig verscheurt,
            de draden er uit trekt met zijn kabouterhanden, is er slechts één man
die hem kan zien. Arme gekke John Lithgow zweet

in de bleke oranje gloed van fantastische angst.                          

Dat vind ik een goede; het vliegtuig stort nooit neer
                 en alles is romig en de eighties zijn cool.

Terwijl ik vorige maand naar mijn thuiskust vloog, stelde ik me
                 die kabouter voor, gymnastiekend op de rand van de vleugel.

Turbulentie en een gebed gevangen bij opkomst.
           Ik wilde zoveel.

Ik duwde het raamluikje naar beneden, slikte
            mijn nutteloze voorraad normaal leven door en maakte een lijst
            van dingen waarvoor we onze gebeden bewaren moeten:

                                   de aarde
                                   het einde van oorlog
                                   en meer, en meer.

We landden. Werden naar de grond gewenst door onze turbojetmotoren en
                               navigerende lichten van verlossing, van vlucht.

Winter | John Burnside

(Naar: Winter – John Burnside)

Stel je voor dat ik van je hield en nachten als deze
waren bezoeken,
een eindeloos Pinksteren van lippen en handen
en lichamen herrezen in hun bedden,
niet de mijne, of de jouwe, maar gegeven, als een sneeuwbui.

Buiten in het donker vormen de bossen een kaart
die iemand niet af heeft gemaakt: handgekleurde tekens
voor berken, of herten, en niets dat het rood
van een verse dood uitlegt, of hoe de stilte
opwelt rond een gevallen plataan;

Maar hier, waar wij neerliggen in veranderend weer,
vervaagt de nacht op onze huiden terwijl we dromen,
en winter is dezelfde, dag na dag,
dwaalt een leven van het niets dat ze uit het hoofd kent.