Je uitnodiging voor een Bescheiden Ontbijt – Hannah Gamble

Het is te koud om buiten te roken, maar als je langskomt,
zal ik mijn handen bij me houden, of zal ik niet.
Ik zou je graag vertellen over de muur die werd opgegeten

door de klimop – het was zo mooi.
Verscheidene dingen zijn me voorgevallen,
allemaal seksueel. De man in de bus

trok zijn broek naar beneden zodat ik hem beter kon zien.
Een andere man zei, “Negeer hem schatje.
Kom maar gewoon op mijn schoot zitten.” Maar ik behoor niet tot zij

die het hongerigst zijn in de ochtend,
niet zoals de man in de bakkerij
die ei na ei na ei eet.

Luister. Kom langs: de kou heeft de zomer
al opgegeten. Ik heb een nieuw paar oren nodig:
vanuit de keuken kan ik niet zeggen of ik een windgong hoor

of een grijze vrouw met weigerende armen
die een pan met uien en aardappels laat vallen.
Vanochtend heb ik vier handen nodig—

twee om groenten te wassen, een om de theepot te tillen,
een om de melk te schenken. Vanochtend zal één
kleine mond niet voldoen. We zouden een spel

kunnen spelen waarbij we over de tegels kruipen, twee gele honden
die koffie uit hun bakjes drinken. We zouden een spel
kunnen spelen waarbij we het ontbijt laten aanbranden.

Buiten is er een wereld waarin elke liefdesscène
begint met een man in de deuropening;
hij loopt naar de vrouw toe en zegt “Open je mond.”

Blauwe lijster in beukenhaag – Wendy Wilder Larsen

Naar: bluebird in cutleaf beech – Wendy Wilder Larsen

er zit geen pigment in blauwe veren
alle andere kleuren zijn er uit gedreven
blauw is wat over blijft

die precieze tint van ridderspoorblaadjes
die op mijn moeders laktafel vielen
onder de koepel in de zomer

de kleur van verwijdering
de pijn in mijn vaders marineblauwe ogen
op die foto in het leger

blauw
de vervaagde overgooier op een foto van mij
handen gevouwen, zelfde waterige ogen

de kleur waar we het liefst over nadenken
niet omdat ze ons aantrekt
maar omdat ze ons achter zich aansleurt

de blauwe gloed van een dwaallicht
die ons laat verdwalen op de kruising
ons een moeras in lokt

blauw ook
deze afwezigheid
dit uiteen vallen

nog zou ik zoeken
en roepen

daar

moeder
vader

bluebird

Pad | Jack Hirschman

Naar: Path | Jack Hirschman

Ga naar je gebroken hart.
Als je denkt dat je er geen hebt, krijg er een.
Om er een te krijgen, ben oprecht.
Leer oprechtheid van intentie door het leven
binnen te laten komen omdat je de keuze niet hebt, werkelijk,
iets anders te doen.
Zelfs als je ervan weg probeert te komen, laat het je grijpen
en verscheuren
als een verstuurde brief
als een zin van binnen
waar je je hele leven op hebt gewacht
hoewel je niets hebt verzonden.
Laat het je opjagen.
Laat het je breken, hart.
Een gebroken hart is het begin
van alle werkelijke ontvangst.
Het oor van vernedering kan achter de poorten luisteren.
Zie de poorten opengaan.
Voel de handen op je heupen in je zij gaan,
je mond open gaan als een baarmoeder
die voor de eerste maal je stem baart.
Wervel zingend de glorie tegemoet
van bevlogen simpel zijn.
Schrijf het gedicht.

Het hart van mevrouw | Russell Edson

Naar: Madam’s heart | Russell Edson

Ze was verliefd geworden op de stethoscoop van haar dokter; hoe hij naar haar hart luisterde…

De dokter zei, wil je op huwelijksreis met mijn telescoop?
Je zou moeten zien hoe hij zich uitrekt en de nacht in kijkt op zoek naar het hemels lichaam.
Oh, maar je microscoop is zo bijziend…
Wat dacht je dan van mijn periscoop? Hij rijst de matras uit met een listig oog voor achterbaksheid.
Dat is nog walgelijker dan die caleidoscoop; hoe hij me vastpint met zijn versplinterde cyclopenoog.

Eindelijk houdt de dokter zijn stethoscoop omhoog en laat hem schommelen en vraagt, is mevrouw klaar?
Oh, ja, zuchtte ze…

Toekomstige immigranten Nota Bene | Adrienne Rich

Naar: Prospective Immigrants Please Note | Adrienne Rich

Toekomstige immigranten
Nota Bene

Je zult wel
door deze deur gaan
of je zult niet door deze deur gaan.

Als je er doorheen gaat
is er altijd het risico
dat je je naam zult herinneren.

Dingen zullen je tweemaal aankijken
en je moet terugkijken
en ze laten gebeuren.

Als je er niet doorheen gaat
is het mogelijk
waardig te leven

je opvattingen te behouden
je positie te handhaven
moedig te sterven

maar veel zal je verblinden,
veel zal je ontgaan,
tegen welke prijs wie weet?

De deur zelf
maakt geen beloften.
Het is slechts een deur.

Grijze kamer | Wallace Stevens

Naar: Gray Room | Wallace Stevens

Hoewel je je bevindt in een kamer die grijs is,
Op het zilver
Van het stropapier na,
En je plukt
Aan je bleke witte hemd,
Of één van de groene kralen
Van je ketting optilt,
Haar laat vallen;
Of kijkt naar je groene ventilator
Die bedrukt is met rode wilgentakken;
Of, met één vinger
Het blad in de schaal beweegt–
Het blad dat van de takken van de forsythia is gevallen
Die naast je staat
Wat is dit alles?
Weet ik hoe razend je hart klopt

Nu word ik mezelf | May Sarton, De Reis | Mary Oliver, Karma Repair Kit: Items 1-4, Richard Brautigan

Naar: Now I become myself | May Sarton

Nu word ik mezelf

Nu word ik mezelf. Het heeft
Tijd gekost, vele jaren en plaatsen;
Ik ben opgeslokt en door elkaar geschud,
Droeg de gezichten van vreemden,
Rende als een gek, alsof de Tijd er was,
Verschrikkelijk oud, en een waarschuwing uitriep:
“Schiet op, je zult dood zijn voordat—”
(Wat? Voordat je de ochtend bereikt?
Of het einde van het gedicht duidelijk is?
Of veilig liefhebt in de ommuurde stad?)
Om nu stil te staan, hier te zijn,
Mijn eigen gewicht en dichtheid te voelen!
De zwarte schaduw op het papier
Is mijn hand; de schaduw van een woord,
Terwijl een gedachte de vormer vormt,
Valt zwaar op het papier, wordt gehoord.
Alles smelt samen nu, valt op zijn plaats
Van wens tot actie, woord tot stilte,
Mijn werk, mijn liefde, mijn tijd, mijn gezicht
Komen samen in één intens
Gebaar van groeien als een plant.
Zo langzaam als fruit dat rijpt,
Vruchtbaar, losgekomen, en altijd gebruikt,
Valt maar put de bron niet uit,
Zo is het gedicht, kan geven,
Groeit in me om het lied te worden,
Is zo gemaakt en geworteld door liefde.
Nu is er tijd en Tijd is jong.
O, in dit ene uur leef ik
Helemaal van mezelf en beweeg niet.
Ik, de achtervolgde, die rende als een gek,
Sta stil, sta stil, en stop de zon!

Naar: The Journey | Mary Oliver

De reis

Op een dag wist je eindelijk
wat je moest doen, en begon,
hoewel de stemmen om je heen
hun slechte adviezen
bleven roepen—
hoewel het hele huis
begon te schudden
en je het oude getrek
aan je enkels voelde.
“Maak mijn leven!”
riep iedere stem.
Maar je stopte niet.
Je wist wat je moest doen,
hoewel de wind
met zijn stijve vingers
aan de fundamenten knaagde,
hoewel hun melancholie
ondraaglijk was.
Het was al laat
genoeg, en een wilde nacht,
en de weg vol gevallen
takken en stenen.
Maar terwijl je hun stemmen achterliet
begonnen beetje bij beetje
sterren te schijnen
door deze wolkenkleden,
en er was een nieuwe stem
die je langzaamaan
als de jouwe herkende,
die je gezelschap hield
terwijl je dieper en dieper afdaalde
de wereld in,
vastberaden het enige te doen
wat je kon doen–
vastberaden het enige leven te redden
dat je kon redden.

Naar: Karma Repair Kit: Items 1-4 | Richard Brautigan

Karma Repair Kit: Items 1-4

1. Haal genoeg eten om te eten,
en eet het.

2. Vind een plaats om te slapen waar het stil is,
en slaap er.

3. Verminder intellectuele activiteit en emotioneel lawaai
totdat je aankomt bij de stilte van jezelf
en luister.

4.

Winnen | Linda Gregg

Naar: Winning | Linda Gregg

Er is hebben door hebben
en hebben door herinneren.
Allemaal glorie, maar wat vergaan is
is rijkdom. Wat overblijft.
Wat is gedragen is wat geleefd heeft.
De dood is te vertrouwd, hoewel het
gewicht toevoegt. Passie voegt grootte toe
maar laat te veel gevaar naar binnen.
Er is een poëzie die vraagt naar
dit leven van stilte in de middag.
Een geraniumtak in een glas die
misschien wortel schiet. Gedichten over tijd
nu en tijd toen, waarvan ieder
de ander zorgvuldig in zich opneemt.

Uit een Atlas van de Moeilijke Wereld | Adrienne Rich

Naar: From an Atlas of the Difficult World | Adrienne Rich

Ik weet dat je dit gedicht leest,
laat, voordat je je kantoor verlaat
van de ene intens gele lamp en het donker wordende raam
in de matheid van een gebouw dat stil is gevallen
lang na spitsuur. Ik weet dat je dit gedicht leest
terwijl je opstaat in een boekwinkel ver van zee
op een grijze dag in de vroege lente, vage vlokken razend
over de enorme vlaktes van de ruimte om je heen.
Ik weet datje dit gedicht leest
in een kamer waar te veel is gebeurd om te kunnen verdragen
waar de lakens in stijve hopen op je bed liggen
en de open koffer van vlucht spreekt
maar je kunt nog niet weggaan. Ik weet dat je dit gedicht leest
terwijl de ondergrondse momentum verliest en voordat je
de trappen oprent
een nieuw soort liefde tegemoet
waarmee je leven nooit instemde.
Ik weet dat je dit gedicht leest in het licht
van het televisiescherm waar geluidsloze beelden schokken en glijden
terwijl je wacht op de nieuwsuitzending over de intifada.
Ik weet dat je dit gedicht leest in een wachtkamer
vol kruisende en onkruisende blikken, vol herkenning in vreemden.
Ik weet dat je dit gedicht leest in fluorescerend licht
in de verveling en vermoeidheid van wie jong is en afgeschreven,
zichzelf afschrijft, op veel te vroege leeftijd. Ik weet
dat je dit gedicht leest ondanks je aftakelende zicht, de dikke
lenzen vergroten deze letters tot betekenisloosheid maar je leest verder
want zelfs het alfabet is dierbaar.
Ik weet dat je dit gedicht leest terwijl je langs het fornuis ijsbeert
melk opwarmt, een huilend kind op je schouder, een boek in je
hand
want het leven is kort en je hebt teveel dorst.
Ik weet dat je dit gedicht leest dat niet in jouw taal is
sommige woorden raadt terwijl andere je lezende houden
en ik wil weten welke woorden het zijn.
Ik weet dat je dit gedicht leest luisterend voor iets, verscheurd
tussen verbitterdheid en hoop
terwijl je je opnieuw richt op de taak die je niet kan weerstaan.
Ik weet dat je dit gedicht leest omdat er niets anders meer is
om te lezen
daar waar je strandde, uitgekleed als je bent.

Razernij | Yevgeny Yevtushenko

Naar: Fury | Yevgeny Yevtushenko

Ze zeggen me,
hoofdschuddend:
“Je zou aardiger moeten zijn…
Op de een of andere manier ben je—razend.”
Eens was ik aardig.
Het duurde niet lang.
Leven brak me
sloeg mijn tanden in.
Ik leefde
als een onnozele puppy.
Ze sloegen me—
en opnieuw keerde ik de andere wang toe.
Ik kwispelde kalm met mijn staart,
en toen, om me razend te maken,
hakte iemand hem met slechts een slag af.
En nu zal ik je vertellen
over razernij
over de razernij
waarmee je een feestje bezoekt
en de juiste dingen zegt
terwijl je met een tang suiker in je thee laat vallen.
En als je me meer thee aanbiedt—
verveel ik me niet,
ik bestudeer je.
Me onderwerpend drink ik mijn thee van het schoteltje,
en steek, mijn klauwen verborgen,
mijn hand uit.
En ik zal je iets anders over razernij vertellen.
Wanneer ze voor een bijeenkomst fluisteren:
“Laat het zitten…
Je bent jong,
je zou beter schrijven
dan een ruzie beginnen
voorlopig…”
Hel alsof
ik ooit zou toegeven!
Razend zijn op onrecht
is het echte werk!
Ik waarschuw je—
die razernij heeft me nog niet verlaten.
En je moet weten
dat ik nog lang razend zal blijven.
Er is niets van mijn eerdere verlegenheid overgebleven.
Tenslotte—
is het leven interessant
wanneer je razend bent!